Tegel algemeen.png
Sector
  • Po

Wat als... je leven heel anders was?

22-9-2016

​​​​​​​​​​​Lesvoorbeeld, samenhang cultureel erfgoed, beeldend en OJW, groep 7


Op de Al Ummahschool, een islamitische basisschool in Enschede, staat het thema 'identiteit' centraal. De school heeft een driejarig samenwerkingscontract met Museum TwentseWelle. Hierbij werken de school en het museum samen aan een programma waarin cultureel erfgoed centraal staat. Het accent ligt hierbij op burgerschap (identiteit/ participatie) en het verkleinen van taalachterstanden. De verhalen van de leerlingen spelen een belangrijke rol. De school legt veel nadruk op inburgeren en wil kinderen stimuleren hun kennis, inzicht en vaardigheden te ontwikkelen om te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving.

Dit lesvoorbeeld heeft de volgende opdrachten:

In de museumles staan een aantal vragen centraal: wie ben jij als Twentenaar? Voel jij je Twentenaar? Wanneer ben je eigenlijk een Twentenaar? We zijn Twentenaar, maar tegelijk zijn we ook weer allemaal verschillend van elkaar. De leerlingen bekijken een kunstwerk (installatie) over de migratiegeschiedenis van Twentenaren die afkomstig zijn uit verschillende delen van de wereld. Ze houden een kringgesprek en laten, aan de hand van een mindmap, zien wie zij op dit moment zijn.

De lessen op school sluiten aan bij het museumbezoek. De leerlingen onderzoeken de vraag: Wat als je leven er heel anders uitzag dan nu? Wat als… je een jongen/meisje was, je blond was met blauwe ogen, je arm was, je rijk was, je beroemd was, je niet naar school kon gaan, je de taal niet kende, je niet kon lopen... Ieder kind krijgt een kaartje met één van deze vragen. In de vorm van een stripverhaal proberen zij deze vraag te beantwoorden.
De lessen worden door de museumdocent verzorgd.

Onderstaande fragmenten geven een beeld van de opdrachten. Het totale lesvoorbeeld (incl. competenties, leerdoelen, beoordelingscriteria en vervolgopdrachten) vindt u hiernaast in de pdf. 

​In het museum: Oriënteren
​​​

​Oriënteren, de introductie

Het eerste deel van de oriëntatie vindt plaats in museum TwentseWelle. De leerlingen bekijken de ‘huiskamer’, een witte kamer die (door middel van filmbeelden) getransformeerd wordt in de​ huiskamer van Twentenaren met verschillende culturele achtergronden. Deze Twentenaren vertellen over hun migratiegeschiedenis en hun leven in Twente.

​Oriënteren, het kringgesprek

Aansluitend voeren de kinderen een kringgesprek over de vraag: wie ben jij als Twentenaar?

​Oriënteren, een mindmap maken

Ze denken na over hun leven van nu en in de toekomst en maken een mindmap maken aan de hand van de vraag: wie ben ik nu?’

​Terug op school: oriënteren
​​​

Oriënteren, een stripverhaal

De museumdocent brengt het museumbezoek in herinnering. Ze wijst op de mindmaps aan de muur en zegt: ‘Hier hangen jullie nu allemaal. Jullie hebben een portret van jezelf gemaakt zoals je nu bent.' Ze vertelt dat de leerlingen in deze les de vraag gaan onderzoeken: 'wat als… je leven heel anders was dan nu?' Deze vraag gaan ze beantwoorden in de vorm van een stripverhaal. De museumdocent vraagt of de kinderen weten wat een stripverhaal is. Ze visualiseert hun antwoorden op het bord en vat de kenmerken van een strip samen: Een strip is een bladzijde vol met grote en kleine vakjes. In elk vakje staat een tekening en een tekst. Alle vakjes samen vormen een verhaal.
​​

​Oriënteren, altijd goed

De museumdocent laat een format zien voor een stripverhaal met tien vakjes, dat kunnen de leerlingen gebruiken als basis. Ze laat ook een pagina uit een stripboek zien en vraagt: wat trekt het meest de aandacht? Ze benadrukt dat de tekeningen in een strip de meeste aandacht krijgen. Het regeltje tekst moet de leerlingen zo kort mogelijk houden. Een meisje reageert dat ze niet zo goed kan tekenen. Omdat de groep inderdaad niet veel tekenervaring heeft benadrukt de museumdocent de afspraak dat alle tekeningen altijd goed zijn, als het maar tekeningen zijn.

​Onderzoeken
​​

​Onderzoeken, een eerste verkenning

Alle leerlingen krijgen een kaartje met één van de bovenstaande vragen. Sommige hebben dezelfde vraag. Ze zijn nieuwsgierig naar hun vraag en vinden het spannend. Ze gniffelen en laten elkaar hun kaartjes zien. Aan de hand van hun vraag proberen ze in tien stappen een korte tekst te schrijven die de basis vormt voor hun stripverhaal. Ze krijgen daar kort de tijd voor. Sommige kinderen schrijven vlot, andere aarzelen. De museumdocent voert kleine individuele gesprekjes met leerlingen, om ze op weg te helpen, met vragen als: hoe zou je kunnen verzinnen…, hoe kun je ervoor zorgen dat… Of ze moedigt de leerling aan: ‘probeer maar… het is wel goed hoor.’

​Onderzoeken, verhalen bedenken

De leerlingen zijn deze manier van werken niet zo gewend, maar ze voelen zich uitgedaagd door hun vraag. Ze overleggen met elkaar en laten elkaar hun verhaal lezen. Behalve de jongen die zich moet voorstellen dat hij een meisje is. Hij heeft er niet veel zin in. De groepsleerkracht gaat met hem in gesprek en benadrukt dat het ook best een stoer meisje kan zijn.

​Onderzoeken, een opstapje naar een stripverhaal

Na tien minuten gaat de museumdocent verder met het vervolg van de opdracht. Ze zegt dat ze hele mooie verhaaltjes of stukjes uit een verhaaltje heeft gezien. Dat kunnen mooie strips worden! Nu moeten de leerlingen bedenken hoe je dat tekent en er korte tekstjes bij schrijft. Met potlood maken de kinderen een schetsontwerp voor hun stripverhaal. De museumdocent loopt ​rond en helpt leerlingen met kleine gesprekjes op weg door met hen te brainstormen hoe ze hun geschreven verhaal kunnen omzetten in een getekend verhaal dat ook begrijpelijk is voor iemand anders.​

​Uitvoeren
​​

​Uitvoeren, aan de slag met het stripverhaal

De leerlingen werken hun ontwerp verder uit in kleur (met behulp van viltstift). Ze zijn heel betrokken en niemand klaagt meer dat hij niet kan tekenen. Sommige leerlingen zijn echte tekenaars. Zij tekenen mensfiguren in actie in verschillende houdingen. Andere hebben daar veel moeite mee, maar ze weten: bij een strip mag je eenvoudige (gestileerde) poppetjes tekenen. Het hoe​ft niet precies op de werkelijkheid te lijken. Daardoor kunnen leerlingen ook ‘draadfiguren’ tekenen, zonder dat ze zich daarvoor hoeven te schamen.
​​

​Uitvoeren, leren van elkaar

Aan het eind van de les stimuleert de museumdocent leerlingen bij elkaar te kijken. Zo kunnen ze van elkaar ideeën opdoen. Leerlingen die hun tekening liever niet laten zien, mogen hem omdraaien, maar de meeste vinden het juist leuk en tonen veel belangstelling voor elkaar.
​​Evalueren
​​

​Evalueren, bespreking stripboek

Alle stripverhalen zijn gebundeld tot een stripboek van de hele groep. Iedere leerling heeft hiervan een kleurenkopie gekregen, zodat ze thuis elkaars verhalen konden lezen. Nadat de museumdocent de hele groep een compliment gegeven heeft over het resultaat van hun stripboek, hangt ze een paar strips op het bord die allemaal de vraag hebben Wat als… je de taal niet kende? Ze vraagt de makers te vertellen over hun verhaal en hoe ze dat hebben laten zien in tekst en beeld.